Husserliaanse fenomenologie

By | October 13, 2014

350px-Edmund_Husserl_1900Fenomenologie betreft een benadering in de filosofie die is ontstaan op de grens van de 19e en 20e eeuw welke zich ten doel stelt het beschrijven en classificeren van het ‘fainomenon’ (verschijnsel). Ofwel gaat het om de werkelijkheid zoals deze verschijnt in concrete ervaring. De beschrijving geschiedt zoveel als mogelijk onafhankelijke van theorieën die de verschijnselen causaal verklaren en vrij van vooronderstellingen die niet ondervraagd zijn. Maar wat is nu exact fenomenologie? Hierop zijn niet alleen diverse antwoorden op mogelijk, maar ook is er wezenlijk verschil tussen het intellectueel verstaan van het fenomenologisch project alsook het begrijpen in het uitoefenen daarvan. Dit is in zeer sterke mate te herleiden uit het werk van Husserl, Heidegger, Satre en Merleau Ponty. In dit artikel wordt uitsluitend geconcentreerd op het werk van Husserl, daar hij ook wel de vader van de ´fenomenologische beweging´ wordt genoemd alsook zijn basisopvatting(en) door menig fenomenologen wordt onderschreven. Dit nodigt uit tot nader onderzoek en dit artikel zal inzicht verschaffen in wat de fenomenologie inhoudt vanuit Husserls perspectief.

In Logische Untersuchungen stelt Husserl de fenomenologie voor als een zuiver immanente beschrijving van de gegevens van de innerlijke aanschouwing, welke een beschrijving betreft van de oorspronkelijke wezenssamenhangen en dus niet de empirische feiten. Ofwel, zij is een wetenschap welke op de zaken zelf is afgestemd, zo luidt het hoofdbeginsel. Husserl maakt in deze verhandeling de fenomenologie tot eidetische wetenschap en doet hij een poging om het psychologisme – de empirische en experimentele psychologie welke halverwege de 19e eeuw opkwam en door middel van psychologie alles te kunnen verklaren en oplossen- te weerleggen. Husserl wijst de psychologie niet af, maar benadrukt dat het denken een psychische activiteit is. Hetgeen wat door het psychologisme beweerd wordt kan wel gelden voor een ideologie, een geloof en wereldbeschouwing maar niet voor de filosofie. Voor Husserl is filosofie een strenge wetenschap die wil komen tot generiek geldige uitspraken over de werkelijkheid en gelijk is aan wetenschap en deze zelfs overtreft. Juist ter voorbereiding om tot zuivere logica te komen dient de fenomenologie de kennisbeleving te vorderen: zij moet de bronnen ontsluiten waaruit begrippen en wetten van zuivere logica ontspringen en derhalve moet zij ook a priori en eidetisch zijn.

In Ideen zu einer Phaenomenologie und Phaenomenologische Philosophie wordt door Husserl de betekenis van de fenomenologie versterkt. Zij is niet langer het voortraject voor de logica, maar de grondwetenschap van de filosofie zelf. De fenomenologie is hier nu een zuiver beschrijvende wetenschap die het veld van het transcendentaal zuiver bewustzijn in intuïtie doorvorst. Hier geldt derhalve een striktere begrenzing ten opzichte van de eerdere verhandeling. Het transcendentaal bewustzijn betekent voor Husserl het bewustzijn dat uitgezuiverd is van alle transcendente elementen, ofwel alle bestandsdelen die buiten het bewustzijn en de bewustzijnsverschijnselen in de reële wereld uitschakelen.  Het veld van transcendentaal bewustzijn dient hier te worden opgevat als het resultaat dat door transcendentale reductie is verkregen. In de verhandeling Philosophie als strenge Wissenschaft wordt hierop antwoord gegeven. In deze verhandeling roept Husserl op tot ‘zuruck zu den sachen selbst’, ofwel terug naar de zaken zelf. Dit betekent voor Husserl afkeren van allerlei theoretische constructies van bestaande filosofische systemen en (wereld)beschouwingen en terugkeren naar het bewustzijn. Terugkerend naar de eerder aangehaalde reductie, worden in voorgenoemde verhandeling twee methodologische uitgangspunten gehanteerd, namelijk de fenomenologische reductie (1) en het fenomenologische beginsel, das Prinzip aller Prinzipien (2).

De fenomenologische reductie betreft hier een methode waarbij het gaat om het terugleiden van de blik. In de fenomenologie gaat het initieel om een zien, een specifieke wijze van kijken, waarbij de blik zich afwendt van de natuurlijke ingesteldheid van de mensen (Epochè). Hiermee tracht Husserl een oordeel van de werkelijkheid op te schorten en daarmee een eerste stap te zetten naar het transcendentale bewustzijn welke gekenmerkt wordt door activiteit en passiviteit. Het fenomenologische beginsel luidt: ‘dat elke oorspronkelijk gegeven aanschouwing een rechtsbron van de kennis is, dat alles wat zich aan ons in de ‘intuïtie’ oorspronkelijk aanbiedt, eenvoudig te aanvaarden is als wat het zich aanbiedt, maar ook slechts binnen de grenzen waarin het zich aanbiedt’. Meer concreet gesteld wordt na de eerste epochè – het ontleden van de wetenschappelijke blik- nu verdere onttrekking gerealiseerd zodat pure ervaring opgedaan kan worden betreft de dingen, ofwel het volledig ontdoen van alle vooronderstellingen om te komen tot ‘strenge wetenschap’. Wat dus overblijft, is het naakte feit dat het subject de dingen fenomeen laat zijn. De elementaire bouwsteen van de werkelijkheid is hier derhalve de openheid van het subject op de wereld. Deze openheid noemt Husserl ook wel intentionaliteit. Voorts maakt Husserl nog een stap aangaande het bewustzijn: de transcendentale reductie zoals reeds aangegeven. Hierin wordt de existentie buitenspel gezet alsook datgene wat correleert met het zuivere bewustzijn, ofwel datgene wat overblijft aan wat het subject gegeven is. Het meest fundamentele daarin betreft het ontstaan van het tijdsbewustzijn. In Husserls verhandeling Vorlesungen zur Phaenomenologie der Zeitsbewustseins geldt de fenomenologie dan ook als analyse en beschrijving van het bewustzijn. Hierbij gaat het om het ‘Bewustseinsleben’ met noëtisch-noëmatische structuur, inhoudende dat de activiteit van het bewustzijn samen met datgene waarvan het bewustzijn bewust is of het weten en kennen als activiteit samen met het gewetene en gekende. In de analyse het tijdsbewustzijn wordt voorts benadrukt dat het bewustzijn gekenmerkt wordt een spanningsverhouding, ofwel een spanning tussen  hetgeen wat voorbij is (retentie) en wat nog komen gaat (protentie). Zo komt Husserl uiteindelijk uit bij het transcendentale ego als basis voor het tot stand brengen van alle zin (Sinn).

Op grond van de beknopte weergegeven verhandelingen is duidelijk geworden wat de fenomenologie in essentie is volgens Husserl. Kijkend naar de essenties binnen de weergegeven verhandelingen, dan valt te concluderen dat de fenomenologie steeds verdere afbaking geniet en iedere analyse een steeds dieper ontologisch niveau aanduidt. Dit is echter ook niet verwonderlijk wanneer we dit ook plaatsen in de context van polemiek in het umfeld der wetenschap, daar waar de wetenschap de mathematiserende methode als de bepaling van de ware zijnswijze van natuur en wereld zag en alles wat niet in dit keurslijf paste, de denigrerende kwalificering als ‘subjectief’, ‘arbitrair’, ‘onbetrouwbaar’ en ‘irrationeel’ toekende en het dus terzijde schoof. Of laatste terecht is of niet, daar valt over te discussiëren. Dankzij de fenomenologie heeft de filosofie een sterk methodisch en wetenschappelijk verantwoord kenmerk gekregen, waardoor de wetenschappen nu op vergelijkbare manier gefundeerd kan worden als waarop de leefwereld als de tegenhanger van de wereld van de subjecten door haar gefundeerd wordt. Husserl is er in geslaagd hier in zeer sterke mate in bij te dragen door de noodzaak van fenomenologie fors te beargumenteren en haar aan te prijzen als enige radicale en definitieve uitweg uit de impasse waarin de cultuur door eenzijdige ontwikkeling van de wetenschap was beland. Daarover is in ieder geval geen discussie mogelijk.


Comments are closed.